basicdesign header
Home - Contact - Offerte
Lees ook onze algemene voorwaarden
promo
Digitaal drukken
Kleine oplages: geen probleem.
Digitaal drukken kan nu ook bij Basicdesign: gelegenheidsdrukwerk, naamkaartjes, flyers, affiches in kleur op het papier dat u wenst.
Snelle service en perfecte afwerking.
Wij zorgen ervoor dat u voor elke opdracht de meest kwalitatieve en prijsgunstige oplossing vindt voor al uw drukwerk. Van kleine (digitaal) tot grote oplages (offset), van naamkaartje tot grootformaat.
> Digitaal drukwerk: bereken zelf de prijs
Bekijk ons uitgebreid gamma standaard drukwerk
Vergelijk onze prijzen
Naast digitaal drukwerk leveren wij hoogkwalitatief full-color offset drukwerk op uitstekend papier.
Zo kunnen we snel goed en goedkoop drukwerk leveren, niet alleen promotioneel drukwerk (affiches, flyers, ticketten) maar ook alle drukwerk voor uw kantoor (folders, briefhoofden, bloknotes, presentatiemappen).
Kijk en vergelijk...
Kalender
Voor het 3-dagen en 5-dagen offset drukwerk zijn de aanleverdagen dinsdag en vrijdagen.
Bestanden dinsdagmiddag 12 uur binnen, drukwerk vrijdagmiddag 16 uur klaar (3 dagen) of woensdagmiddag 16 uur (5 dagen) .
Bestanden vrijdagmiddag 12 uur binnen, drukwerk woensdagmiddag 16 uur klaar (3 dagen) of vrijdagmiddag 16 uur (5 dagen) .
Voor digitaal drukwerk is er een levertermijn van 2 werkdagen.
Raadpleeg onze kalender.
Kalender...
Belangrijke informatie
Hoe bestanden aanleveren
Graag werken wij met print-pdf files met de juiste afmetingen en alle lettertypes gevectoriseerd...
Vermijd extra kosten aan 50 euro per uur en lever je bestanden correct aan.
Lees hier hoe...
Doorsturen bestanden via ftp
Lees hier hoe je makkelijk kan ftp-en.
Bestanden opladen
Je kan ook je bestelling rechtstreeks opladen vanuit je browser naar onze server..
Terminologie
Als het netto formaat begint af te lopen, hopelijk is het CMYK is en geen RGB.
Termen...
Terminologie
A

Aberratie: Een optische onvolkomenheid in een lens waardoor het beeld minder scherp wordt. Sferische aberraties komen voor in eenvoudige lenzen die met een constante (sferische) kromming geslepen zijn: het midden van de lens heeft een andere brandpuntsafstand dan de buitenranden. Chromatische aberraties komen voor in alle lenzen wanneer het licht gebogen wordt: het blauwe eind van het spectrum wordt sterker afgebogen dan het rode eind. Moderne samengestelde lenzen kunnen die problemen overwinnen.

Additief kleurensysteem: Een kleurensysteem dat gebruikmaakt van de primaire kleuren van het licht (rood, groen en blauw). Het mengen van de drie primaire kleuren levert wit op. Zie ook subtractief kleurensysteem.

Afloopafstand: De afstand waarmee een aflopende kleur of beeld moet uitsteken buiten de opgegeven snijrand, zodat na het snijden de kleur of het beeld zal doorlopen tot aan de rand van de pagina.

Aflopend: Een beeld of kleur die loopt tot voorbij de afgesneden rand van een drukwerk.

Afsnijtekens: Gedrukte lijnen die de afmetingen van de uiteindelijke gedrukte pagina aanduiden. Deze tekens worden gebruikt bij het afsnijden.

Afwerking: een algemene term voor de bewerkingen die drukwerk ondergaat tussen het drukken en het transport, zoals vergaren, vouwen, snijden, stansen, pregen en binden.

Alfa kanaal: Een 8 bit-kanaal dat in sommige programma's voor beeldverwerking gebruikt wordt voor maskering, transparantie of additionele kleurinformatie.

Aliasing: Zichtbare herhaalde patronen, lijnen of structuren in een gefotografeerd of gescand onderwerp, die in strijd zijn met het patroon van pixels dat is afgezet door een elektronische sensor. Bij diagonale lijnen van vierkante pixels kunnen de randen bijvoorbeeld gerafeld lijken. Aliasing treedt op als gevolg van een te scherp tonaal contrast tussen pixels. Zie ook Artefacten.

ANSI: American National Standards Institute – bepaalt industriële standaards in de Verenigde Staten (zie ISO).

Anti-aliasing: Het proces waarbij voorwerpen met scherpe randen zo weergegeven worden dat ze zachtjes in de achtergrond overgaan. Een techniek om objectgerichte illustraties te integreren in bitmap-pagina's.

Artefacten: Irrelevante digitale informatie als gevolg van technische tekortkomingen in beeldvormingsprogramma's. Elektrische storingen veroorzaakt door bewegende onderdelen of flitsen, schittering, krassen, linament en stof die optische signalen belemmeren zijn allemaal voorbeelden van artefacten. Artefacten worden ook wel 'ruis' genoemd en ze veranderen de pixelwaarde. Zie aliasing, overloop, blooming, kleurfranje, signaalverwerking en signaal-tot-ruis-verhouding.

B

Banding: ongewenste vorming van zichtbare trappen in de schaduwen van een gradatie.

Beeldmanipulatie: Een bewerkingsproces, gebruikt bij het produceren van foto-illustraties, dat de inhoud, de feitelijke informatie of boodschap van een beeld kan manipuleren of veranderen.

Bestandsformaat: Een digitaal bestand bestaat uit een verzameling van verwante binaire gegevens die woorden, symbolen of foto's kunnen voorstellen. Verschillende bestandsformaten (de ordening en organisatie van de gegevens) kunnen worden gebruikt voor het opslaan of verzenden van gegevens.

Bézier-curven: (in objectgerichte programma's) een curve waarvan de vorm bepaald wordt door ankerpunten die geplaatst worden langs de boog van de curve.

Bilevel: Beeld met uitsluitend zwarte en witte pixels.

Binden 1. Een methode om de pagina's van katernen of een publicatie samen te houden. 2. Het bindproces.

Bit: Een binair cijfer (binary digit). Dat is de kleinste eenheid van informatie in een computer, een 1 of een 0, en komt altijd overeen met een van twee elektrische standen (aan of uit).

Bitdiepte: Het aantal bits dat gebruikt wordt om elke pixel in een beeld te beschrijven en waarmee de kleur of het toonwaardenbereik van de pixel bepaald wordt. Een bitdiepte van 1 kan maar twee kleuren opslaan, zwart en wit. Een monitor met een bitdiepte van 4 kan 16 (24) verschillende kleuren weergeven. Een 8-bits systeem kan 256 (28) kleuren weergeven, een 24-bits systeem meer dan 16,7 miljoen (224).

Bitmap: Een gedigitaliseerd beeld bestaande uit een raster van individuele punten of pixels (in plaats van uit lijnen of vectors). De kleur van elke pixel wordt gedefinieerd door een bepaald aantal bits: de computer geeft een waarde aan elke pixel, gaande van één informatiebit (zwart of wit) tot 24 bits per pixel voor kleurenbeelden. Gescande beelden worden als bitmaps opgeslagen.

Blauwdrukproef: Een eenkleurige proef die gebruikt wordt om de plaatsing van de elementen op de belichte film te controleren.

Bleed: een beeld of kleur die uitdijt naar de rand van kleurendrukwerk.

Bottling: De mate waarin pagina's in de katern zullen verschuiven door verschillende malen gevouwen te zijn.

C

Calibratie: Een methode om scanners, video-monitors en uitvoereenheden in te stellen volgens een standaard eenheid zodat ze kleuren nauwkeurig en voorspelbaar weergeven. Gewone calibratie compenseert het verlies van de uitvoerkwaliteit veroorzaakt door verouderende computerbeeldschermen, en is noodzakelijk voor het verkrijgen van WYSIWYG-kleuren. Zie ook kleurmanagementsysteem.

Capstan-belichter: Een laserbelichter waarin het materiaal langs de lichtbron wordt getrokken tijdens de belichting. De optica bevindt zich onderaan. Zie ook trommellaserbelichter.

CCD (charge-coupled device): Het basistype lichtgevoelige sensor dat bij desktop-scanners en elektronische camera's wordt gebruikt om licht om te zetten in een elektrische lading. CCD's zijn zeer kleine (op een chip) gemonteerde eenheden, bestaande uit honderden of duizenden fijne cellen met een fotodiode die licht kan waarnemen, en een condensator die elektrische lading kan opslaan. Iedere cel, beeldelement (of pixel) genoemd, wordt geladen met een hoeveelheid elektriciteit die in verhouding staat tot de dichtheid van het originele beeld (of scène). Sommige CCD's kunnen een volledig toonwaardebereik of kleine verschillen in de detaillering van donkere partijen moeilijk onderscheiden. CCD's in scanners voor professioneel gebruik en digitale camera's kunnen dit nadeel grotendeels wegwerken. Ook bekend als een fotosite.

CEPS: Afkorting voor 'Color Electronic Prepress Systems'. De eerste digitale systemen voor paginasamenstelling en beeldbijwerking die gebruikmaakten van gedeponeerde hardware en bestandsformaten, zoals Crosfield, Linotype-Hell, Scitex en Screen.

Choke: 1. Een trappingtechniek die erin bestaat het formaat van een lijn, een beeldelement of een punt lichtjes te verkleinen om een trap te creëren. 2. Een trappingtechniek waarbij het object met de lichtere kleur ingekrompen wordt om te trappen met het voorwerp in een donkerder kleur; tegenovergestelde van spread.

CIE (Commission Internationale de l'Eclairage): Een in 1931 opgerichte internationale organisatie van kleurwetenschappers, die een standaard model heeft ontwikkeld voor het apparaatonafhankelijk weergeven van kleur. Het CIE-kleurmodel, dat is gebaseerd op het menselijk zicht, is de basis van moderne, op computer gebaseerde systemen voor kleurmanagement.

CIP3 (International Cooperation for Integration of Prepress, Press and Postpress): Internationale industriële studiegroep die een specificatie heeft uitgebracht om computer-geïntegreerde productieprocessen te kunnen toepassen op drukwerk.

City fonts: De benaming die soms gebruikt wordt voor bitmap-only fonts die te vinden zijn in het Macintosh-besturingssysteem, zoals New York en Geneva. Deze fonts worden uitgevoerd als lage-resolutie bitmaps, of worden vervangen door het vectorfont dat er het meeste op lijkt.

CMS (Colour Management System – kleurbeheersysteem): Een softwaresysteem dat zorgt voor uniforme kleuren van invoer tot uitvoer, zodat de gedrukte resultaten gelijk zijn aan de originelen. De eigenschappen of profielen van de apparatuur worden meestal verkregen door vergelijking met standaard IT8-kleurschalen.

CMYK: Afkorting voor cyaan, magenta, geel en zwart; de vier basiskleuren die in film en drukprocédés gebruikt worden. CMY zijn de primaire kleuren van het subtractieve kleurenmodel (bijkomende kleur "vermindert" de lichtsterkte). Zwart is niet te verkrijgen door CMY-drukinkten te combineren, zodat die kleur toegevoegd wordt om het contrast te verhogen.

Compressie: Het reduceren van de grootte van een digitaal bestand, bijvoorbeeld om geheugenruimte te sparen of om de transmissiesnelheid op netwerken te verhogen. Compressie gebeurt op basis van software-algoritmes (wiskundige formules) die het aantal binaire cijfers in een digitaal bestand verkleinen door overbodige informatie te elimineren. Er bestaan verscheidene technieken om beelden en andere gegevens te comprimeren. Bij sommige technieken gaat geen informatie verloren, zodat alle gegevens gereconstrueerd worden wanneer het bestand gedecomprimeerd wordt (zie ook: comprimeren met verlies en lossy). Bij andere technieken, die alleen voor beeld- en geluidsgegevens gebruikt worden, wordt sommige informatie permanent verwijderd om een bijzonder hoge compressieverhouding mogelijk te maken (zie ook: comprimeren zonder verlies en non-lossy).

Compressieverhouding: Geeft aan hoeveel keer een digitaal bestand is verkleind. Hoge compressieverhoudingen verminderen de grootte van beeldbestanden tot ongeveer 100:1, hoewel verhoudingen tussen 8:1 en 15:1 het meest worden gebruikt. Zie comprimeren met verlies en comprimeren zonder verlies.

Comprimeren met verlies: Een methode van comprimeren waarbij tijdens het proces informatie permanent wordt verwijderd (waardoor de mate van details van afbeeldingen kan verminderen) naarmate dit de grootte van het bestand doet verminderen. JPEG is een methode van comprimeren met verlies. Zie ook Compressie.

Comprimeren zonder verlies: Een methode van comprimeren waarbij tijdens het proces van comprimeren geen beeldgegevens verloren raken. Zie ook Compressie.

Computer-to-film (CtF): Prepress-workflow die digitale paginagegevens op film plot met een RIP en filmbelichter of een rasterdataformaat en beeldrecorder.

Computer-to-plate (CtP): Prepress-workflow en belichtingsmethodologie die digitale data rechtstreeks op een drukplaat plot zonder gebruik van tussenfilm. Zie ook Direct-to-Plate.

Contractproef: Een kleurenproef die wordt gebruikt om aan de drukker door te geven welke kleurenresultaten op de drukpers worden verwacht, en die de drukker volgens afspraak in zijn drukwerk zal evenaren. Slechts een beperkt aantal soorten proeven leveren een kwaliteit op die gedrukte resultaten zo dicht benadert dat ze als contractproeven geaccepteerd worden.

Contrast: 1. De visuele relatie tussen toonwaarden in een reproductie. Bij een hoog contrast is het verschil tussen toonwaarden scherp en abrupt en bij een laag contrast (ook wel vlak genoemd), zijn de verschillen subtiel en nauwelijks zichtbaar. De Griekse letter γ (gamma) stelt de numerieke contrastwaarden voor, die in computerbeeldvorming vaak worden geregeld met een softwaretool (keuzecurve). Met curvetools kunnen de waarden van lichte partijen, middentonen en schaduwpartijen afzonderlijk van elkaar worden ingesteld. 2. Term wordt ook wel gebruikt om de verhouding tussen de meeste lichte en de meeste donkere partijen van een beeld aan te duiden.

Copydot scanner: Scanner die in staat is om filmscheidingen te digitaliseren. Kan bestanden ofwel opslaan als bitmaps -"digitale film"- of ontrasteren in beelden die zijn verwerkt door de RIP, gerasterd en geplot met andere PostScript-bestanden.

CristalRaster: Stochastische of frequentiemodulatierastertechniek beschikbaar op PostScript RIPs van Agfa. Zie ook Stochastisch rasteren.

Cromalin: Een kleurenproefsysteem dat gebruikmaakt van poederpigmenten in plaats van inkt.

Cross-platform bestandsformaat: Met sommige softwareprogramma's kunnen digitale bestanden worden opgeslagen in verschillende cross-platform formaten voor het uitwisselen van beelden tussen computersystemen. Ook inter-platform bestandsformaat. Zie ook programma-eigen bestandsformaat, portable bestandsformaat en interapplicatieformaat.

CT (Continuous Tone = halftoon): Een bestandsformaat dat gebruikt wordt voor het uitwisselen van scaninformatie van hoog niveau.

D

DCS (Desktop Colour Separation): Een PostScript beeldbestandsformaat voor aparte bestanden. Een DCS-bestand omvat vijf delen: een voor elk van de drukkleuren plus een PICT-preview dat het beeld op het computerscherm weergeeft. Op het moment van printen worden de afzonderlijke bestanden automatisch onder elkaar geschoven.

Decompressie: Tot origineel formaat terugbrengen van gecomprimeerde beeldbestanden. Zie ook Compressie.

Densiteit: De graad van opaciteit (ondoorschijnendheid) van een fotografisch beeld op papier of film. Als de densiteit toeneemt, neemt de hoeveelheid gereflecteerd of doorgelaten licht af. Lichte partijen zijn meer dekkend (minder doorlatend) dan middentonen of schaduwpartijen, die minder dekkend zijn. Densiteitseenheden worden tot 2,50 D opgenomen (voor reflecterend materiaal) of 6,00 + D (film). Aanvankelijke metingen geven een witte plek (onbedrukt stuk film) aan met nul densiteit (0,00 D). Hoewel doorlaatniveaus van 6,00 D (zwart) gelezen kunnen worden, vallen de meeste toonwaarden die kunnen worden gereproduceerd tussen de 0,00 D en 5,00 D. Densiteit kan ook gemeten worden als een zwartingspercentage.

Densiteitsbereik: Het bereik van de meetbare toonwaarden in een origineel of een reproductie. Het densiteitsbereik wordt berekend als het verschil tussen de maximale (Dmax) en de minimale densiteit (Dmin). Zie ook dynamisch bereik, toonwaardebereik.

Densitometer: Een apparaat dat de opaciteit van een film of de lichtabsorptie van opzichtmateriaal meet. Het wordt gebruikt om de dichtheid van film en drukinkt te controleren zodat het eindresultaat aan de specificaties voldoet. Zie ook colorimeter en spectrofotometer.

Diepdruk: Een drukproces dat gegraveerde metalen cilinders gebruikt, waarbij de inkt in kleine cellen ligt waarop het papier geperst wordt om een beeld te vormen. Het beeld of de drukkende partij ligt lager dan de niet-drukkende partij. zie ook gravure.

Digitaal drukken: (in de druksector) Drukprocessen die pagina's direct van een computer, via een rasterbeeldverwerker en vervolgens naar een kleurenprinter voor de uiteindelijke uitvoer sturen. Dergelijke apparaten kunnen alles zijn van direct-to-plate offsetdrukpersen tot nieuwere elektrofotografische systemen.

Digitale contractproef: Een contractproef die rechtstreeks van een digitaal bestand op een digitaal uitvoertoestel gemaakt is, in plaats van met film. Zie Contractproef.

Digitale kleurenproef: Een kleurenproef van een digitaal bestand en niet van filmscheidingen.

DIN ("Deutsche Industrie Norm") voor de gevoeligheid van film en CCD's: De DIN-schaal verloopt logaritmisch; wordt de aanduiding met 3 verhoogd, dan verdubbelt de gevoeligheid.

Direct-to-plate: Directe belichting van beeldgegevens op de drukplaat, zonder tussentijds gebruik van film. Zie ook Computer-to-plate.

Direct-to-press: Beeldgegevens worden rechtstreeks naar de cilinders van de drukpers gestuurd, zodat gebruik van film en drukplaten overbodig is.

Distilleren: In Adobe Acrobat Distiller-software, het converteren van een PostScript-bestand in een Portable Document Format (PDF)-bestand.

Dithering: Het simuleren van doorlopende kleur, door een patroon van kleine puntjes van meer dan één kleur te gebruiken. Bijvoorbeeld: een patroon van discrete, elkaar niet overlappende puntjes rood en geel kan gebruikt worden om oranje te simuleren.

Dmax: Het punt met maximale densiteit in een beeld of origineel. Zie Densiteit en Densiteitsbereik.

Dmin: Het punt met minimale densiteit in een beeld of origineel. Zie Densiteit en Densiteitsbereik.

Doek: Het rubberen doek dat bij offsetdruk rond een cilinder wordt aangebracht; eerst wordt het beeld van de plaat op dit doek overgedragen, daarna wordt het van het doek op het papier overgedragen.

Down-sampling: Het verlagen van de resolutie van een beeld waarbij detail verloren gaat.

Dpi (dots per inch = rasterpunten per inch): Een maatstaf voor de resolutie van printers, laserbelichters en andere uitvoerunits. Ook wel een meetwaarde om de resolutie van gedrukte beelden en tekst te bepalen.

Drukkleuren: De vier kleuren cyaan, magenta, geel en zwart worden gecombineerd om een groot aantal kleuren te drukken. Wanneer ze gemengd worden, kunnen ze maar een klein gedeelte reproduceren van al de kleuren die men in de natuur vindt. Maar bij het drukken kunnen ze een zeer groot kleurengamma reproduceren. Zie ook CMYK.

Drukpersproef: Een proef die op de drukpers wordt gemaakt met de drukinkten en de onderlaag voor de uiteindelijke druk.

Drukplaat: (bij flexodruk) Een plaat uit rubber of uit fotopolymeer, die gebruikt wordt als beelddrager om inkt van de rasterwals op het substraat over te dragen.

Drukproeven: Een daadwerkelijk gedrukt voorbeeld van de manier waarop een project er zal uitzien op het moment dat het, met gebruik van vergelijkbare zoniet gelijke, drukpersen en voorwaarden wordt gedrukt.

Drukvoorbereiding: Een algemene term voor de stappen die genomen worden om originele illustraties voor afdrukken voor te bereiden. Deze stappen worden steeds vaker door computergestuurde systemen uitgevoerd.

Drumscanners: Een digitale beeldscanner waarin het origineel rond een trommel gewikkeld wordt, en die PMT-optica (photomultiplier tube) gebruikt.

Duotoon: Een drukprocédé waarbij grijstinten worden gereproduceerd door twee inktkleuren te gebruiken, teneinde een breder tonaal bereik te bewerkstelligen of een speciaal effect te produceren.

Duplex drukken: Een substraat aan weerszijden bedrukken.

Dynamisch bereik: Het bereik van licht tot donker aan toonwaarden dat in een elektronisch bestand zit. Net als het densiteitsbereik geeft dit het bereik van meetbare toonwaarden aan in een origineel of reproductie. Het dynamisch bereik van een CCD of andere sensor is ook een belangrijke factor bij de aankoop van een digitale scanner of camera. Het dynamisch bereik wordt uitgedrukt in densiteitseenheden en is een logaritmische methode voor het meten van de hoeveelheid opgenomen licht (stijgt de densiteit met één punt, dan neemt de lichtabsorbtie met het tienvoudige toe). Zie Densiteitsbereik en Toonwaardebereik.

E

Effectieve resolutie: De resolutie van een scan, welke gemaakt kan worden door een combinatie van als deeltjes genomen punten en pixels welke door interpolatie gemaakt zijn. Op deze manier kan de effectieve resolutie van een scan veel hoger zijn dan de optische resolutie van de scanner die deze vastlegde.

Elliptische punt: Een soort rasterpunt met een elliptische vorm. Geeft soms aanleiding tot betere toongradaties.

Emulsie: De laag lichtgevoelig materiaal op film.

Emulsie naar beneden: Het gaat hier om een leesbaar filmbeeld waarbij de emulsiezijde naar beneden gericht is. Het drukprocédé bepaalt of een leesbare dan wel een onleesbare film nodig is.

EPS (Encapsulated PostScript): Een bestandsformaat dat zowel raster- als vectorbeeldgegevens opneemt en dat gebruikt wordt om PostScript beeldinformatie van het ene naar het andere programma om te zetten. Het bestand bevat een PostScript-code en een weergave van het beeld in lage resolutie (PICT-preview).

EPS 5: Andere term voor DCS.

Eurostandaard: Europese standaard voor offsetrotatiedruk; gebruikt voor consistent drukwerk in kleur. De Amerikaanse standaard is SWOP.

F

Film: Een transparant materiaal waarop een lichtgevoelige laag (emulsie) is aangebracht.

Filters: Afdrukhulpmiddelen die gebruikt worden om fotografische beelden te manipuleren, zodat de kleur of het contrast kan worden gecontroleerd of speciale effecten kunnen worden bereikt.

Flatbedscanner: Een scanner waarin het origineel op een glasplaat wordt geplaatst, langs welke een lichtbron en een CCD-verdeelapparaat loopt. Recente vooruitgang in technologie heeft de kwaliteit van flatbedscannen enorm verbeterd.

Flexografie: Een drukproces dat gebruikmaakt van rubber- of fotopolymeerplaten en sneldrogende inkten om te drukken op o.m. flexibele dragers.

Focoltone: Een kleurstalensysteem voor ontwerpers op basis van normaalinkten. Focoltone biedt ook voorgemengde inkten voor steunkleuren.

Fonts: In de elektronische uitgeverij, bestanden met de grafische gegevens voor het produceren van bepaalde lettertypes op het scherm voor uitvoer.

Frequentiemodulatie-raster: Zie Stochastisch raster.

G

Gamma: 1) De relatie tussen de toonwaarden in een beeldbestand, in verhouding tot de door een uitvoerapparaat geproduceerde toonwaarden. 2) De term gamma verwijst naar de niet-lineaire reproductie van de lichtsterkte. Het oog is minder gevoelig voor veranderingen in lichtsterkte bij fel licht dan bij zwak licht. Monitors reageren op een tegengestelde manier: een twee keer zo krachtig videosignaal verhoogt de lichtuitvoer met een factor 6. Correcties van het gamma werken de ongelijkheden weg tussen het oog en de beeldregistratiesystemen, de schermen en de uitvoerapparaten. 2) Iedere kleurencombinatie die gemaakt kan worden met een set basiskleuren in een kleurenruimte of op een kleurenbelichtingstoestel. Kleuren die niet gereproduceerd kunnen worden, noemen we "buiten gamma."

Gammacorrectie: De correctie van toonbereiken in een beeld, meestal door aanpassing van de tooncurves. Het samendrukken of het uitzetten van donkere of lichte schaduwen in een beeld.

Gammacurve: Een in veel toepassingen voor beeldverwerking gebruikte weergave van het gamma, waarbij toonwaarden van invoer op de X-as worden weergegeven en uitvoerwaarden op de Y-as.

Garenloos binden: Een bindmethode waarbij de vergaarde katernen worden schoongesneden of afgefreesd en aan elkaar gelijmd bij de rug tot een papieren cover uit één stuk.

GCR (Gray Component Replacement - substitutie van grijswaardencomponenten): Een techniek om de hoeveelheid cyaan, magenta en geel in een bepaald neutraal beelddeel te verminderen en te vervangen door een juiste hoeveelheid zwart. Zie ook UCR.

Geïndexeerde kleur: Een kleurensysteem dat informatie uit een bestand of uit software gebruikt als aanwijzer naar een kleurenopzoektabel in plaats van een kleur direct te specificeren. Kleur die gespecificeerd wordt op basis van een 24-bits palet, maar weergegeven wordt in een 8-bits systeem, noemt men geïndexeerde kleur.

Gemonteerde film: Film die meerdere pagina's bevat in gemonteerde volgorde.

Geperforeerd binden: Een bindmethode waarbij vergaarde katernen worden doorboord of geperforeerd en een binding van metaaldraad of plastic wordt bevestigd.

GIF (Graphics Interchange Format): Een elektronisch beeldformaat dat alom gebruikt wordt voor elektronisch gepubliceerde beelden. Wordt als het Engelse "jiff" uitgesproken.

Gradatie (dégradé): 1) Een geleidelijke, traploze overgang van zwart naar wit, van de ene kleur naar de andere of van de ene kleur naar geen kleur. 2) Een geleidelijke overgang in een schaduw of kleur over een bepaalde zone van de gedrukte pagina of raster. Een gradatie in verschillende kleuren noemt men soms ook wel mengsel.

Gravure: Een plaatdrukproces waarbij een gegraveerde plaat als hoofdbeelddrager ("master image carrier") wordt gebruikt. Het gravureproces wordt gebruikt voor het drukken van verpakkingen, speciale producten en publicaties. Zie ook Diepdruk.

Grijsbalans: Een combinatie van of de balans tussen RGB- of CMYK-kleuren die lijken op neutraal grijs.

Grijsniveau: Een onderscheidende toonwaardentrap in een beeld. Grijsniveaus zijn inherent aan digitale beelden. De meeste beelden bevatten 256 grijsniveaus per kleur (8 bits). Ook wel Grijswaarden.

Grijstoon: De reeks grijze tonen tussen zwart en wit. Een monochrome monitor is in staat om zowel afzonderlijke grijze pixels weer te geven als zwarte en witte pixels, maar geen kleurenpixels.

H

Halftoon: 1) Een beeldformaat in kleur of grijswaarden dat continu wisselende toonwaarden kan illustreren, in tegenstelling tot lijnwerk. 2) Een bij het drukken gebruikte methode om het effect van doorlopende tonen te bewerkstelligen door de grootte of densiteit van de punten af te wisselen. Zie ook lpi en rasterhoeken.

Halftoonbeeld: Een beeld, zoals een foto of een schilderij, dat over doorlopende kleurgradaties beschikt en van een halftoonraster moet worden voorzien om op een pers te kunnen worden gedrukt. Tegenwoordig zijn de meeste tussentintbeelden gedigitaliseerd en worden ze door elektronische scanners en grafische software omgezet in halftoonbeelden.

Halftoonraster: Een patroon van punten van verschillende grootte om een halftoonbeeld in kleur of in zwart/wit te simuleren en te drukken.

Halo: Een heldere lijn rond objectranden, veroorzaakt door de USM-techniek (Unsharp Masking, zie aldaar).

HiFi Color afdrukken: (HiFi = high fidelity) Een kleurendrukprocédé dat gebruikmaakt van meer dan de vier drukkleuren om een breder kleurenregister te bereiken. Zie ook Afdrukken met drukkleur.

Highlights: De lichtste tonen in een beeld. Een specular highlight is een heldere, gereflecteerde lichtbron.

Histogram: Een grafiek waarin de verdeling van de pixelwaarden over het toonwaardebereik staat afgebeeld en het relatief aantal keren dat iedere toonwaarde is opgenomen. Digitale camera's en scanners bepalen helderheid, contrast en zwarte of RGB-kleurenwaarden voor iedere pixel. Een zuiver wit wordt aangeduid met een waarde van 0 (kleurniveaus); een zuiver zwart is gelijk aan 255. Met een histogram van een digitaal beeld -dat eruitziet als een grafiek van verticale strepen- kunnen de kwaliteit van het toonwaardebereik en de lichte en de schaduwpartijen snel worden beoordeeld.

HLS: Een kleurmodel gebaseerd op drie coördinaten: tint (Hue), saturatie (Saturation) en helderheid (Lightness). Zie ook HSV.

HSV: Een kleurmodel gebaseerd op drie coördinaten: tint (Hue), saturatie (Saturation) en waarde (Value). Zie ook HLS.

I

Impositie: Het rangschikken van de pagina's van een publicatie in de correcte volgorde voor het vouwen en binden achteraf. De impositie gebeurt voor de plaatvervaardiging en moet overeenstemmen met de pers. Ook indeling van het vel. Zie ook Inslag.

Indelingsschema: Een lijst of gemarkeerd vel met de volgorde waarin de pagina's moeten worden gemonteerd op iedere filmmontage voor een opdracht.

In-RIP trapping: Trapping automatisch uitgevoerd in een RIP.

Inslag: Het rangschikken van de pagina's van een boek in de juiste volgorde op de drukplaat. Zie ook Impositie.

Interpolatie: In beeldmanipulatie, de toename van de beeldresolutie door toevoeging van nieuwe pixels aan het beeld, berekend op basis van algoritmes. De kleur van deze nieuwe pixels is gebaseerd op de naastliggende pixels.

Interpoleren: Het schatten van waarden die tussen twee bekende waarden liggen. Bijvoorbeeld: het toewijzen van een tussenliggende kleur aan een pixel op basis van de kleuren van de pixels eromheen en zodoende de effectieve resolutie verhogen.

ISO (International Standards Organization): Een commissie bestaande uit vertegenwoordigers van verschillende landen die op wereldniveau consistente standaardwaarden vaststelt voor diverse aspecten van informatica, fotografie, grafische vormgeving en van andere zaken op het gebied van handel. ISO filmsnelheden classificeren fotografische emulsies op basis van hun lichtgevoeligheid en belichtingsvoorwaarden. 2. De aanduiding van de gevoeligheid van film of CCD's zoals gedefinieerd door de International Organization for Standardization. De aanduiding combineert de ASA- en DIN-aanduidingen. "ISO" is geen letterwoord, maar is afgeleid van het Griekse isos, dat "gelijk" betekent. Zie ook ANSI.

IT8: Industriestandaard-kleurreferentieschaal voor de kalibratie van invoer- en uitvoerapparatuur.

J

Job tickettering: Een reeks instructies aangemaakt door de afdeling raming of klantenservice, die andere afdelingen instructies geeft over hoe de opdracht geproduceerd moet worden in een drukkerij.

JPEG: 1) Joint Photographic Experts Group. Een organisatie die verschillende bestandscompressietechnieken heeft ontwikkeld. 2) Een bestandsformaat voor gecomprimeerde bitmapbeelden met verschillende maten van compressie, ontwikkeld door de Joint Photographic Experts Group.

K

Kalibratie: Zie Calibratie.

Kalibrering: Zie Calibratie.

Katern: Het gedrukte vel van een boek dat voor het binden op de juiste wijze gevouwen is.

Keren: Een impositiemethode waarbij de volledige katern gedrukt wordt op iedere kant van het drukvel, en het vel vervolgens verticaal in de helft gesneden wordt.

Kleurcorrectie: Het proces waarbij een beeld wordt aangepast als compensatie voor tekortkomingen in de scanner of als compensatie voor de karakteristieken van de afdrukapparatuur.

Kleurengamma: De reeks kleuren die voorhanden zijn voor het drukken of voor weergave op beeldschermen.

Kleurenmanagementsysteem: zie Kleurmanagementsysteem.

Kleurenmodel: Het kleurenmodel wordt ook wel kleurenruimte of kleurenmodus genoemd en verwijst naar de methode om de individuele kleuren te specificeren. Het RGB-model beschrijft de additieve vermenging van gekleurde lichtbronnen zoals monitors; bijkomend licht levert een helderder kleur op. Het CMYK-model beschrijft de subtractieve vermenging van drukpigmenten; meer inkt levert een donkerder kleur op.

Kleurenproef: Een voorstelling van hoe het uiteindelijke drukresultaat er zal uitzien. De resolutie en de kwaliteit van de diverse kleurenproeven kunnen enorm verschillen.

Kleurmanagementsysteem: Een softwaresysteem dat wordt gebruikt om de kleurvastheid te verzekeren tussen de verschillende invoer- en uitvoerapparatuur, zodat de afgedrukte resultaten overeenstemmen met het origineel. Een kleurmanagementsysteem regelt ook de overgang van het ene kleurbereik naar het andere, bijvoorbeeld wanneer RGB-waarden worden omgezet in CMYK-waarden. Zie ook Calibratie.

Kleurmodel: Een methode om kleurinformatie als numerieke data weer te geven.

Kleurruimte: Een driedimensioneel model waarin de drie kenmerken van kleur (tint, waarde en chroma) kunnen worden uitgezet. Soms gebruikt om te verwijzen naar om het even welk kleurmodel, zoals RGB of CMYK.

Kleurseparatie: De opsplitsing van een beeld in de respectievelijke drukkleuren. Elke kleurseparatie is een negatief- of positieffilm.

Kleurtransparanten: Een fotografisch beeld op transparante film -ook diapositief genoemd- gebruikt als origineel. De formaten 35mm, 4" x 5" en 8" x 10" zijn courant.

Kleurverzadiging: Een maatstaf waarmee de kleursterkte wordt aangegeven, uitgaande van grijs.

Kloksnelheid: Het aantal cycli per seconden waarop een processor van een computer draait.

Knockout (uitsparing): 1) Een vorm of object dat wordt gedrukt door alle achtergrondkleuren te elimineren of "uit te sparen" (knocking out). Staat in tegenstelling tot overdruk. 2) Het verwijderen van de object(en) onder een object dat overgedrukt zal worden om kleurcontaminatie te voorkomen of een gewenst effect te bekomen.

Korrel: De mate waarin een algeheel korrelpatroon op een foto verschijnt, als gevolg van chemische en fysieke eigenschappen van de film, het papier of het ontwikkelproces.

Korrelen: Een primaire "afwerking" die wordt aangebracht op aluminium drukplaten, die beelddragende lagen ondersteunt en de prestaties op de pers verbetert, zoals inkt-waterbalans en duurzaamheid.

Kraftpapier: Een soort papier gemaakt van chemisch verpulverde houtvezels, gebruikt als bovenste en onderste laag van golfkarton.

Kruipen: De neiging van pagina's in het midden van een katern om naar buiten te kruipen (trapsgewijs naar buiten te steken).

Kwaliteitsfactor: Een vermenigvuldigingsfactor (tussen 1 en 2) toegepast op de rasterliniatuur van uitvoerapparatuur, voor het berekenen van de scanresolutie voor een optimale uitvoerkwaliteit. Wordt ook wel de rasterfactor genoemd.

Kwarttonen: Tonen tussen shadows en middentonen noemen we 3/4 tonen, en tonen tussen highlights (lichte partijen) en middentonen de 1/4 tonen. (25% zwart, of niveau 64 in 24-bit kleuren)

L

Laminaatproef: Een type kleurenproef waarbij kleurseparatiefilm wordt blootgesteld aan kleurenproeffilm, welke vervolgens in register (overeenstemming) op een achtergrondblad wordt gelamineerd om zo het drukproces te simuleren. In het algemeen leveren laminaatproeven een nauwgezet evenbeeld van gedrukte uitvoer en worden ze vaak als contractproeven geaccepteerd.

Laserbelichter: Een op PostScript gebaseerd apparaat dat gebruikt wordt om een computerbeeld of lay-out van een pagina met hoge resolutie uit te voeren naar fotografische film, papier of plaatmateriaal. Die uitvoer gebeurt door middel van een software- en/of hardwarematige raster image processor (RIP), die op pixels gebaseerde bitmaps genereert van alle elementen.

Laserprinten: Een procédé van digitaal afdrukken waarbij toner via warmte op glad papier wordt gesmolten.

Laserprinter: Net als fotokopieermachines zijn laserprinters lage- tot medium-resolutie uitvoereenheden die lijnbeelden, tekst of fotografisch rasterwerk produceren op gewoon papier. Hoewel er meer apparaten werken volgens de lasertechnologie om beelden te drukken, wordt deze term meestal gebruikt voor desktopprinters die werken volgens het drukprocédé zonder inkt.

Laserproef: Proef uit een desktop laserprinter.

Lezersspreads: De volgorde waarin de lezer van een publicatie de pagina's ziet en vaak de wijze waarop paginaopmaakprogramma's ze ordenen. Zie Drukkersspreads.

Lichte partijen: Deze lichtste partijen in een beeld zijn zuiver wit, zonder kleurzweem. Lichte partijen kunnen diffuus worden als een onderwerp niet direct door een lichtbron wordt geraakt; het veroorzaakt een kleine rasterpunt. Reflecterende lichte partijen ontstaan als een lichtbron direct weerkaatst wordt door een glanzend oppervlak.

Lijnwerk: Beelden bestaande uit uitsluitend zwarte en witte pixels. Ook bekend onder de naam "bilevel" beelden. De term lijnwerk wordt ook wel gebruikt voor tekeningen met vlakke kleuren zonder tonale variatie.

Linearisatie: Het afstellen van een uitvoertoestel zodat hetzelfde rasterpercentage wordt geplot als gespecificeerd in het bestand. Dat wil zeggen, als het bestand vraagt om een 50 procent magenta rasterpunt, zal de plaatbelichter een 50 procent magenta rasterpunt plotten. Vaak verward met Calibratie.

Lossy: Beeldcompressie waarbij kleine toon- en/of kleurvariaties worden verwijderd, hetgeen zichtbaar wordt als verlies aan detail bij hoge compressieverhoudingen. Zie Comprimeren met verlies.

Lpi (lines per inch): Lijnen per inch/per duim. Eenheid van rasterliniatuur. Een waarde die de frequentie van een halftoonraster aangeeft, gewoonlijk tussen 55 en 300. Oorspronkelijk werden halftonen gemaakt door een geëtste glasplaat over een beeld te plaatsen en ze te belichten, om punten te produceren. Lpi verwijst naar de frequentie van de horizontale en verticale lijnen.

Luminositeit: Een waarde die overeenstemt met de helderheid van de kleur.

LUT (Look-Up Table): 1) Conversietabel die gebruikt wordt om beelden te converteren van een kleurruimte naar een andere, zoals van RGB naar CMYK. 2) De kleurtabel die een computer op een bepaald moment kan tonen. De computer gebruikt de tabel om de gewenste kleur zo dicht mogelijk te benaderen met de kleuren waarover hij beschikt.

LZW: De Lempel-Ziv-Welch-beeldcompressietechniek.

M

Manipulering: Het bijwerken van beelden, opmaken van tekst, plaatsen van graphics en beelden, indelen van de paginageometrie, trapping, en verschillende taken die nodig zijn om pagina's voor te bereiden op de uiteindelijke uitvoer.

Masker: Het ongebruikte gedeelte van een bitmappagina, dat geen veranderingen ondergaat.

Met verlies: Een optie voor digitale datacompressie die de kleinste bestandsgrootte oplevert, hoewel informatie die verloren is gegaan niet meer kan worden teruggehaald. Hoe meer wordt gecomprimeerd, hoe lager de beeldscherpte en kleurgetrouwheid. Zie compressie, compressie-verhouding, zonder verlies, lossy, non-lossy.

Metaalplaat: Een type offsetdrukplaat die aluminium gebruikt als basismateriaal, en gecoat kan worden met verschillende foto- of hittegevoelige lagen om het beeld te dragen.

Middentonen: Toonwaarden in een afbeelding die tussen lichte en schaduwpartijen liggen (50% zwart, of niveau 128 in 24-bit kleuren).

Moiré: Een herhaald, ongewenst visueel patroon in een reproductie dat veroorzaakt wordt door het overlappen van symmetrische punten- of lijnrasters met verschillende afstanden of hoeken. Moiré kan veroorzaakt worden door een gedrukt halftoonbeeld te fotograferen en opnieuw te rasteren; door het formaat van halftoonbeelden in een toepassing te wijzigen; door verkeerde rasterhoeken te kiezen bij de drukvoorbereiding; of door een foutief register van de halftoonrasters bij het drukken. Vaak kan moiré voorkomen worden door de rasterhoeken te veranderen of door een stochastisch raster te gebruiken.

Monitor: Een computersysteem voor het vertonen van video's. Voor gebruik moet de monitor worden aangesloten op een computer-videokaart met een speciaal programma en een RAM-geheugen. Sommige computers zijn al standaard uitgerust met beperkte videomogelijkheden, bij andere zijn uitbreidingskaarten nodig voor het verkrijgen van grafische voorstellingen van hoge kwaliteit.

Monitorkalibratie: Het proces waarbij de monitorwaarden voor kleurweergave gecorrigeerd worden teneinde ze te laten overeenstemmen met de kleuren van de afdruk.

Monochroom: Eenkleurig. Een beeld of materiaal dat uitsluitend zwart/wit- of grijstrapinformatie weergeeft. Grijstrapinformatie in één kleur is ook monochroom.

Montage: 1) Het voorbereiden en het monteren van de film alvorens de plaat aan te maken. 2) Een vel belichte film voor de belichting van de drukplaten.

Montagetape: Een al of niet samenpersbaar substraat met kleefband langs weerszijden, gebruikt voor het bevestigen van flexodrukplaten op plaatcilinders. Montagetapes zijn verkrijgbaar in een aantal soorten en dikten.

N

Negatief: Zie Filmnegatief.

Nieten door de rug: Bindmethode voor kleine, dunne boekjes waarbij de katernen aan de band worden gehecht door middel van nietjes die door de rug worden geslagen.

Nieten door het plat: Een bindmethode waarbij nietjes van voor naar achter door het boekblok, naast de rug, worden geslagen.

Non-lossy: Zie Comprimeren zonder verlies.

NORM: Normalize Once, Render Many. Een aanpak op basis van Adobe Acrobat waarbij PostScript-bestanden worden gedistilleerd in PDF met speciaal geconfigureerde instellingen voor commercieel drukwerk met hoge kwaliteit, om een "digitale master" te creëren. De digitale master wordt dan weergegeven op de gewenste resolutie met de lineatuur die overeenstemt met het specifieke uitvoertoestel.

Normaalinkten: De vier inkten die gebruikt worden door de meeste druksystemen: cyaan, magenta, geel en zwart (CMYK).

Normaliseren: Het vertalen van een PostScript-bestand in een PDF-bestand met Adobe Acrobat Distiller. Ook een bestand "distilleren" genoemd.

O

OCR (Optical Character Recognition): Het analyseren van gescande gegevens ter herkenning van tekens, zodat deze kunnen worden geconverteerd naar leesbare tekst.

Offline vernissen: Vernis aanbrengen op een vel op een afzonderlijk toestel, nadat het drukken gebeurde op de drukpers.

Ondergrond: Papier of ander materiaal waarop een beeld wordt gedrukt.

Onscherp masker: Een filter voor scherpstellen, die eerst het beeld rond de randen van het samenstellen van vormen vervaagt en vervolgens de vervaagde waarden uit het beeld onttrekt. Het uiteindelijk beoogde effect is het scherpstellen van de definitie van de onderdelen van het beeld.

Ontrasteren: Verwijdering van rasterpuntpatronen tijdens of na het scannen van gedrukt materiaal, door het onscherp stellen van het beeld. Hierdoor worden moiré-patronen en kleurverschuivingen vermeden tijdens het herdrukken als rasterwerk.

OpenType: Een fontformaat, gebaseerd op het TrueType-formaat, met extra ondersteuning voor PostScript-fontgegevens en verbeterde ondersteuning voor internationale tekensets en bescherming van fontgegevens.

OPI (Open Prepress Interface): een methode voor automatische beeldvervanging die een efficiëntere werkwijze biedt voor bestanden met grote beelden. Bij OPI wordt een lageresolutie (72 dpi) versie van het volleresolutie 'master'-beeld aangemaakt door de server voor gebruik in fr pagina-opmaak. Vermits het lageresolutiebeeld veel minder data vergt, is de omvang van het paginabestand veel kleiner dan wanneer de volleresolutie master gebruikt zou worden.

OPI-substitutie: een proces waarbij beelden met een lage resolutie bij de uitvoer automatisch worden vervangen door beelden met een hoge resolutie. Zie OPI.

Opscherpen: De schijnbare scherpte van een beeld kan worden verhoogd door software te gebruiken om de pixelwaarden te analyseren en het contrast en de helderheid van aangrenzende pixels (op de plaatsen waar lichte en donkere gebieden aan elkaar grenzen) te veranderen. Opscherpen past hetzelfde effect toe dan een filter voor scherpstellen, maar dan in sterkere mate.

Optische puntaangroei: Vergroting van rasterpunten die gebeurt als gevolg van lichtdispersie tijdens de contactplaatvervaardiging.

Optische resolutie: 1) Het aantal pixels per inch (ppi) in een gescande afbeelding dat kan worden gemaakt door directe verdeling. Bij sommige scanners wordt een effectieve resolutie geleverd die hoger is dan de optische resolutie door via interpoleren extra pixels te maken. 2) Bij scannen, het aantal werkelijk afzonderlijke registraties genomen van een origineel binnen een bepaalde afstand, in tegenstelling tot het stapsgewijs opvoeren van de resolutie (niet het detail) door software-interpolatie.

Opzichtdensitometer: Instrument dat gebruikt wordt om de densiteit op papier te meten.

Opzichtorigineel: Originelen die zo gemaakt worden dat ze kunnen worden gefotografeerd of via de scanner in de computer kunnen worden ingevoerd.

Origineel: Kunst of fotografische producten die worden gebruikt om reproducties te maken die uiteindelijk zullen worden gedrukt.

Overdadige druk: Op een flexodrukpers is dit de overdadige druk tussen de plaat en de drukrol.

Overdruk: Het drukken van een kleur bovenop enige andere kleuren eronder. Staat in tegenstelling tot uitsparing/knock-out.

Overlapping: 1) Het zodanig voorbereiden van filmscheidingen dat aan elkaar grenzende kleuren iets overlappen, zodat bij registerproblemen op de pers geen witte openingen verschijnen tussen kleuren. 2) De hechting van natte inkt, aangebracht op natte inkt in vierkleurendruk.

Overlappingsspeling: De hoeveelheid overlapping tussen aaneengrenzende kleuren in filmscheidingen. Zie ook overlapping(1).

Overloop: Hiervan is sprake als een kleurwaarde van een pixel onbedoeld naar voren komt in aangrenzende pixels. Zie ook Artefacten.

Oversampling: Zie Supersampling.

P

Paginaonafhankelijkheid: Met betrekking tot documenten met meerdere pagina's, het vermogen om een pagina van de andere te scheiden voor correcties of wijzigingen.

Pantone-kleurensysteem: Systeem van kleurenstalen voor ontwerpers en de overeenkomende inkten voor drukkers, voor het specificeren en drukken van bepaalde kleuren. De industriestandaard voor andere dan normaalkleuren en -inkten. Zie ook PMS.

PDF (Portable Document Format): een objectgebaseerd, ASCII-gecodeerd bestand dat werd ontwikkeld door Adobe. PDF-bestanden zijn platformonafhankelijk en worden weergegeven of uitgevoerd volgens gespecificeerde toestelresoluties. PDF-bestanden zijn goed georganiseerd en strikt gestructureerd, hebben uitstekende compressiemogelijkheden, en gebruiken operators van de PostScript-taal.

Perforeren: Het maken van gaten of perforaties in platen, zodat ze kunnen worden gemonteerd en geregistreerd op specifieke drukpersen.

Persvoorbereiding: De fase waarin de platen en inkten worden aangebracht op een drukpers.

PhotoCD: Een door Kodak ontwikkelde methode om fotografische afbeeldingen op cd-rom te scannen en op te slaan.

PICT: Een gangbaar formaat voor bitmapbeelden of beelden met voorwerpzoekfunctie.

PICT/PICT 2: Een courant formaat voor de definitie van bitmap- of objectgerichte beelden beelden en tekeningen op het Macintosh-platform. PICT 2, het meer recente formaat, ondersteunt 24-bits kleur.

PICT preview: Het PICT-onderdeel van DCS- en EPS-bestanden dat wordt gebruikt om tijdens het opmaken een beeld op het scherm weer te geven.

Piëzo-elektrisch kristal: Een kristal van kwarts of een ander materiaal dat een hoge spanning opwekt, wanneer het onder druk komt te staan. Dat principe wordt bijvoorbeeld in gasaanstekers voor het huishouden toegepast. Omgekeerd, wanneer het kristal onder een bepaalde spanning komt te staan, veranderen de afmetingen ervan op een voorspelbare manier. Die eigenschap wordt gebruikt om de matrix-CCD in sommige digitale camera's zeer precies te verschuiven.

Pixel (Picture element, beeldelement): De kleinste onderscheiden eenheid van een bitmapbeeld dat op het scherm wordt weergegeven. Digitale beelden bestaan uit pixels die elkaar raken, waarbij elke pixel een bepaalde kleur of toonwaarde heeft. Het oog ziet de verschillend gekleurde pixels als een continue kleurtoon.

Plaatproeven: Een afdruk gemaakt van de "live" productieplaten vooraleer er echt gedrukt wordt. Plaatproeven zijn gewoonlijk niet geschikt voor het beoordelen van kleurresultaten, maar kunnen gebruikt worden als interne kwaliteitscontrole vooraleer het echte drukken gestart wordt.

Platformonafhankelijkheid: De mogelijkheid een bestand te tonen, te printen of te bewerken op om het even welk computerplatform, zoals pc's, Mac's en UNIX-werkstations.

PMS: Afkorting voor Pantone Matching System; een systeem van kleurenstalen voor ontwerpers en de overeenkomende inkten voor drukkers, gebruikt om specifieke kleuren te drukken. Zie ook Pantone-kleurensysteem.

Polyesterplaat: Een type offsetdrukplaat die polyester gebruikt als basismateriaal en een zilverhalogenidelaag als beelddrager.

Polyethyleenfilms: Dunne transparante substraten gebruikt als verpakkingsmateriaal, gewoonlijk aangeduid met de term 'plastic', zoals in plastic tassen.

Polymeerfilms: Verschillende niet-absorberende, dunne, transparante of gekleurde substraten gebruikt als verpakkingsmaterialen en gewoonlijk aangeduid met de term plastics.

Portable bestandsformaat: Formaten waarbij elk soort document kan worden opgeslagen, geopend en bekeken zonder gebruik te moeten maken van de oorspronkelijke toepassing waarin het bestand werd gecreëerd. Een voorbeeld is Adobe Acrobat. Zie ook Cross-platform bestandsformaat, Programma-eigen bestandsformaat, Interapplicatieformaat.

Portable Job Ticket file (PJTF): Bestandsspecificatie die wordt ontwikkeld door Adobe Systems en die kan worden gekoppeld aan PDF-bestanden met specifieke productie-instructies.

Posterisatie: 1. De conversie van halftoongegevens naar een reeks zichtbare tonale stappen of strepen. 2. Ook het resultaat van deze conversie. Zie Bandvorming.

PostScript: Een toestelonafhankelijke, paginabeschrijvende taal die eigendom is van en onderhouden wordt door Adobe Systems. Het is een vectorgebaseerde taal die een pagina beschrijft met x-y coördinaten om tekst en grafische objecten te plaatsen volgens een set regels die gespecificeerd zijn in de PostScript Language Reference Manual of het "Roodboek".

Ppi (pixels per inch - beeldpunten per duim): Een meetwaarde die bij het scannen wordt gebruikt om aan te geven hoeveel beelddetail werd verkregen en dus een maatstaf voor de resolutie van gescande afbeeldingen. Hoe gesofistikeerder de optische kwaliteit van een scanner, hoe hoger de scanresolutie. Ook wel uitgedrukt in ppcm (pixels per centimeter).

Preflight(ing): Het onderzoeken van PostScript-bestanden voorafgaand aan de belichting om volledigheid en integriteit te verzekeren en potentiële problemen tot een minimum te beperken.

Primaire kleur: Een basiskleur waarmee andere kleuren kunnen worden samengesteld.

Printerfonts: Bij Type 1-fonts, de bestanden die de fontgegevens bevatten die noodzakelijk zijn voor het uitvoertoestel.

Productie op maat: Produceren van catalogi of publicaties die specifiek gemaakt zijn voor een zeer kleine groep of een zeer klein publiek. Kan gebeuren met databases die data invoeren in paginamallen die worden gedrukt op een digitale pers, of door conventionele stukken samen te stellen met behulp van personalisatie en afwerkingstechnieken, zoals inkjetbelichting.

Proef, proofing: Een prototype van een te drukken project, gemaakt met behulp van platen, film of elektronische data. Gebruikt voor interne kwaliteitscontrole en/of om de klant ter controle en ter goedkeuring voor te leggen.

Proefdruk zonder drukpers: Een proefdruk die wordt gemaakt met gebruik van een methode die het drukproces simuleert, zonder een drukpers. Zie ook Digitaal proefdrukken, Overlay-proef, Laminaatproef.

Profiel (van een in- of uitvoerapparaat): Een bestand, gebruikt in combinatie met een systeem voor kleurmanagement, dat de kleureigenschappen van een nauwkeurig gekalibreerd apparaat voor in- of uitvoer beschrijft.

Puntaangroei: De mate waarin een rasterpunt groeit tussen de film, de plaat en het drukvel. Op film worden de puntgroottes verkleind om te compenseren voor de onvermijdelijke puntaangroei later in het drukproces. De puntaangroei varieert overeenkomstig de eigenschappen van pers, inkt en substraat. Indien tijdens het creëren van kleurscheidingen en proeven geen rekening wordt gehouden met de puntaangroei, zullen onverwachte kleurverschuivingen of detailverlies optreden op de drukpers. Ook puntvergroting genoemd.

R

RAID (Redundant Arrays of Independent Disks): Een on line opslagsysteem dat gebruikmaakt van verschillende schijven om prestaties en veiligheid te verbeteren door gegevens tegelijkertijd op meerdere schijven te schrijven. Zie Parity disk drive.

Randen opscherpen: Een filter voor scherp stellen dat een voordien uitgevoerd proces van scherpstellen herhaalt.

Raster: 1) Een patroon van punten met verschillende grootte, dat gebruikt wordt om een halftoonbeeld te simuleren, in zwart/wit of in kleur. 2) Synoniem van stramien. Soms gebruikt als verwijzing naar het stramien van adresseerbare posities in een uitvoerapparaat.

Rasteren: Het maken van een bitmap van een beeld op basis van binaire data.

Rasterfactor: Zie Kwaliteitsfactor.

Rasterfrequentie: Zie Rasterregels. Het aantal rijen of lijnen met rasterpunten in een gerasterd beeld binnen een bepaalde afstand, meestal aangegeven in lijnen per inch (lpi) of lijnen per centimeter (lpcm). Een frequentie van 200 lpi wordt meestal alleen gebruikt voor drukwerk van hoge kwaliteit.

Rasterhoeken: De hoeken die gebruikt worden om de verschillende kleurselecties te positioneren voor druk. Juiste rasterhoeken zijn van het grootste belang om moiré-patronen zo min mogelijk naar voren te laten komen.

Raster image processor (beeldrasterprocessor): Hardware en/of software die elektronische bestanden (zoals PostScript) vertaalt in een reeks punten en lijnen die kan worden uitgevoerd via een laserbelichter. Afgekort tot RIP.

Rasterindeling: Het converteren van een vectorgebaseerd bestand in een bitmap met een gespecificeerde resolutie.

Rasterregels: Het aantal lines van punten per inch op een traditioneel raster. Zie ook lpi.

Rasterwerk: Een techniek om een halftoonfoto te reproduceren als een mozaïek van kleine puntjes (zwarte of elkaar overlappende gekleurde rasterpunten van verschillende groottes en op verschillende posities). In traditioneel rasterwerk worden beelden voorgesteld door middel van punten die in grootte kunnen variëren en die zijn afgezet in een rasterpatroon met een precieze rasterfrequentie. Rasterwerk geeft de illusie van tonen als foto's worden gereproduceerd door middel van een drukpers. Rasterwerk werd vroeger gemaakt door een beeld door een raster heen te fotograferen, tegenwoordig worden de meesten digitaal geproduceerd. Zie Stochastisch rasteren.

Rechtstreeks-op-plaat: Het proces waarbij digitale informatie wordt gebruikt om met een laser een beeld op de drukplaat of de ontwerprol te vormen, waardoor het filmstadium wordt overgeslagen.

Registratietekens: Kleine haarlijntjes op film die gebruikt worden voor het positioneren van de films.

Reliëf: Bij het drukken verwijst deze term naar een proces waarbij vanaf hoger liggende drukkende partijen wordt gedrukt.

Res: Een term gebruikt voor beeldresolutie, in plaats van ppi. "Res 12" betekent 12 pixels per millimeter.

Resampling: Vermeerdering of vermindering van het aantal pixels in een beeld om de resolutie te veranderen zonder het formaat van het beeld te wijzigen. De toonwaarden voor een nieuwe pixel worden gevonden door het gemiddelde te nemen van de waarden van de pixels die de nieuwe pixel omringen. Zie ook Down-sampling en Interpolatie.

Resolutie: De maateenheid die aangeeft hoe helder, scherp en fijn gedetailleerd het beeld is dat door een camera, scanner of uitvoereenheid kan worden geregistreerd. Beeldresolutie, ook wel scanresolutie, scansnelheid of afleessnelheid genoemd, geeft de maximum omvang van reprodukties aan. De resolutieschaal is afhankelijk van het gemeten element. Scans worden gemeten in samples per inch (spi) of pixels per inch (ppi). Schermen worden gemeten in ppi. Halftoonrasters worden gemeten in lines per inch (lpi). Telkens geldt: des te hoger de resolutie, des te gedetailleerder het beeld.

RGB: Rood, groen, blauw; de primaire kleuren in het additieve kleurenmodel. Het RGB-model wordt gebruikt in kleurentelevisies, monitors en camera's om de menselijke waarneming na te bootsen.

RIP: Deel van de afdrukapparatuur dat vectorgebaseerde PostScript-bestanden omzet in bitmaps voor uitvoer, zodat ze op papier of film kan worden afgebeeld. Zie Raster Image Processor.

Ritsen: Een preeg of perforatie aanbrengen in papier of karton ter vergemakkelijking van het zuiver vouwen.

Rollenpers: Een drukpers die gebruikmaakt van papier dat via een rol wordt aangevoerd, zodat het papier in een ononderbroken strook door de pers loopt.

Rosette: Het patroon dat gecreëerd wordt wanneer alle vier de kleurrasters volgens de traditionele hoeken gepositioneerd worden. Zie ook Rozet.

Rotatiedruk: Drukprocédé waarbij papierrollen of -banen worden gebruikt in plaats van losse vellen. Rotatiepersen draaien meestal in hogere snelheden dan vellenpersen en hebben vaak ook eenheden voor vouwen en andere afwerkingsapparatuur.

Rozet: een bloemvormig motief dat wordt gevormd wanneer de punten van de vier hoofdkleuren onder de traditionele hoeken worden gedrukt.

Rubberdoek: Op een drukpers, een rubberen plaat die gebruikt wordt om inkt over te brengen van de plaat naar de drager.

Runlengte: De omvang van een druktaak, gewoonlijk aangegeven door het aantal afdrukken of de lengte in voet vereist om ze te voltooien. Ook het aantal afdrukken dat van een drukplaat of een set drukplaten kan worden verwacht.

S

Sampling: Het proces van het converteren van analoge gegevens naar digitale gegevens door middel van het nemen van een reeks proeven of metingen op identieke tijdsafstanden.

Saturatie: Een maatstaf voor de zuiverheid van een kleur, die wordt bepaald door de hoeveelheid grijs die deze bevat. Hoe hoger het aandeel grijs, des te lager de saturatie.

Scannen: Een proces waarbij het origineel wordt vertaald in digitale gegevens die via de computer kunnen worden gemanipuleerd en uitgevoerd.

Scanner: Een apparaat dat gebruikt wordt om beelden te digitaliseren met als doel deze in een computersysteem te bewerken, uit te voeren of op te slaan. Zie ook Vlakbedscanner en Trommelscanner.

Schaduwpartijen: De donkerste (zwart en bijna zwart) kleuren of grijsniveaus in een beeld.

Schermfonts: Bij Type 1-fonts, de bestanden die de fontgegevens bevatten die nodig zijn om een font op het beeldscherm te tonen.

SCSI (Small Computer System Interface): 1) Apparatuur en protocols voor bestandsoverdracht waarmee randapparatuur op een computer kan worden aangesloten. De overdrachtsnelheid varieert volgens het SCSI-invoeringsniveau. Sinds de standaard ingevoerd is, werd de snelheid al verviervoudigd. De apparaten staan in een keten, maar de totale lengte van de kabel is beperkt tot enkele meters. 2) Seriële verbinding waarmee tot zeven toestellen op een rij gekoppeld kunnen worden.

Secundaire kleur: Kleur die wordt verkregen door menging van twee primaire kleuren. C, M en Y zijn de secundaire kleuren van licht. Rood en groen bijvoorbeeld, produceren samen geel.

Selectiepaden: Een vectorlijn die bovenop een bitmap-graphic geplaatst wordt om te bepalen welk deel van het beeld bestemd is voor uitvoer.

Shadow: De donkerste partij in een beeld.

Shimmed: Het fysiek uitlijnen van de drukplaat op de perscilinder om registratie te bekomen.

Shingling: Het effect dat pagina's verschuiven naar het midden van de publicatie ingevolge de opstapeling met andere katernen.

Snijden: Het tot het juiste formaat snijden van een katern.

Snijzones: Bij stansen, een zone van de verpakking die uitgesneden zal worden, als een venster of als deel van de verpakkingconstructie, of als een sleuf voor een sluitlipje.

Spanjool: Een vlekje in een druk als gevolg van stof of vuil op de drager of het drukdoek.

Spread: 1) Een drukvoorbereidingsfunctie die verkeerde registratie door de drukpers compenseert. Een spread is de lichte toename in formaat van het ingevoegde beeld. 2) Overlappingstechniek waarbij een object met een donkerder kleur wordt vergroot om een object met een lichtere kleur te overlappen. 3) Dubbele pagina in een afgewerkte publicatie.

Stansen: Het proces waarbij scherpe stalen regels worden gebruikt om vormen voor labels, dozen en verpakkingen uit gedrukte vellen te snijden. Stansen kan gebeuren op flatbed- en op rotatiepersen. Roterend stansen gebeurt gewoonlijk inline bij het drukken.

Step-and-repeat: In fotomechanica, beeldvorming of plaatbelichting is dit de procedure van meervoudige belichting, waarbij wordt gebruikgemaakt van dezelfde beeldinformatie door deze in positie te plaatsen volgens een vooraf bepaalde opmaak.

Steunkleur: Een met een voorgemengde inkt gedrukte kleur, in tegenstelling tot een combinatie van normaalinkten.

Steunvernis: Een vernislaag die alleen wordt aangebracht op bepaalde elementen binnen een gedrukt vel om dat beeld of die kleur naar voor te brengen.

Stochastisch rasteren: Ook Frequentiemodulatie-rasteren of FM-rasteren genoemd. 1) Een methode om digitale rasters te maken waarin fotorealistische beelden worden gemaakt met gebruik van punten van één grootte die in verschillende densiteiten worden verdeeld. Stochastisch rasteren rekent af met moiré-patronen, maakt reproductie van meer details en inktdensiteiten mogelijk en is een essentieel onderdeel van HiFi-kleurendruk. 2) Een rasteralgoritme dat gebruik maakt van de frequentie van punten met dezelfde grootte (willekeurig verspreid) om de toonwaarde aan te maken. Conventionele rasteralgoritmen (rationele tangens, irrationele tangens en supercell) daarentegen, groeperen punten tot een rasterpunt om de toonwaarde te bepalen.

Substraat: Een materiaal waarop druk of coating wordt aangebracht, zoals papier, polyethyleen, of folie.

Subtractief kleurensysteem: Een systeem dat cyaan, magenta en geel als primaire kleuren gebruikt. In tegenstelling tot de additieve kleuren, produceren deze inkten donkerdere kleuren wanneer ze gecombineerd worden. In theorie is het zo dat het mengen van de drie subtractieve kleuren zwart oplevert, maar omdat pigmenten niet in absoluut pure vorm kunnen worden gemaakt, wordt zwart toegevoegd voor afdrukken met drukkleur. Zie ook Additief kleurensysteem.

Supersampling: 1) Een analoog signaal opdelen in meer stappen dan nodig voor het uiteindelijke digitale signaal. In een digitale camera wordt het daardoor mogelijk meer details in donkere kleurtonen zichtbaar te maken. 2) Registratie van meer grijswaarden per kleur dan nodig is voor beeldmanipulatie of uitvoer. Door deze extra gegevens kunnen bijvoorbeeld details in schaduwpartijen worden geaccentueerd.

SWOP: Afkorting voor "Specifications for Web Offset Publications". Een in de USA ontwikkelde standaard voor kleurendrukwerk; wordt gebruikt om een constante kleurkwaliteit te garanderen in opdrachten die gedrukt worden op verschillende persen.

Systeempalet: De verzameling van 256 kleuren van de kleurzoektabel welke in het besturingssysteem van een computer is ingebouwd om te tonen op een 8-bits monitor.

T

Tag: Zie Profiel.

TIFF: (Tagged Image File Format) Een bestandsformaat dat wordt gebruikt om zwart-wit, grijsgetinte of kleurenbeelden op bitmap af te beelden (meestal scans) en voor het uitwisselen van die bitmapbeelden tussen verschillende programma's.

TIFF/IT.P1: Tagged Image File Format/Image Technology. Profile1. Een binair bestand bestaande uit twee delen, een voor de contone-beelden en een voor het lijnwerk, dat gerasterd werd op een specifieke resolutie en rasterlineatuur.

Tint (hue): 1) De golflengte van het licht van een kleur in haar zuiverste vorm (zonder de toevoeging van zwart of wit). 2) De kleur van een object zoals waargenomen door het oog, ontstaan doordat één of twee primaire RGB-kleuren overheersen.

Tooncurve: Een grafische weergave van de verhouding tussen het toonwaardenbereik bij invoer en bij uitvoer van een beeld, wanneer het contrast of de helderheid ervan gewijzigd is. De afzonderlijke wijziging van RGB- of CMYK-tooncurven verandert de kleurenbalans. Ook wel gammacurve genoemd.

Trap, trapping: Het voorbereiden van bestanden en/of filmscheidingen zodat aangrenzende kleuren licht overlappen om openingen tussen kleuren te vermijden in geval van een lichte misregistratie op de pers. Op de desktop gebeurt dit in de eerste plaats door aangrenzende kleuren te laten overlappen. Er zijn twee types complementaire trappings: chokes en spreads.

TrueType-fonts: Een fontformaat dat de informatie voor zowel het scherm- als het printerfont in een enkel bestand combineert.

Type 1-fonts: PostScript Bézier-contourfonts met speciale codering voor compacte weergave en om de kwaliteit te verbeteren bij lage resolutie.

Type 3-fonts: PostScript Bézier-contourfonts zonder de speciale codering die gebruikt wordt in Type 1-fonts.

U

UCR (Undercolor Removal): Een techniek om de hoeveelheid magenta, geel en cyaan in schaduwpartijen en neutrale gebieden van een beeld te verminderen en deze te vervangen door een juiste hoeveelheid zwart. Vergelijkbaar met GCR.

Uitvoerresolutie: Het aantal rasterlijnen in een opgenomen beeld, gemeten in lijnen per inch (lpi).

UNIX: Multitasking-besturingssysteem dat eigendom is van en gelicentieerd is door ATT.

Unsharp masking (USM): Er bestaan verschillende methoden voor het opscherpen van beelddetails: fotografische, optische of digitale methoden. Door digitaal USM nadat een filmbeeld is gescand, kan de mate van scherpte handmatig worden ingesteld. Gescande beelden worden regelmatig opgescherpt omdat het scanproces de beeldscherpte vermindert. Zie Opscherpen.

V

Vellenpers: Drukpers die met losse, voorgesneden vellen papier werkt en niet met een papierrol of -baan. Zie ook Rotatiepers.

Vensters: M.b.t. verpakkingen verwijst deze term naar een zone van de verpakking die uitgesneden zal worden (of vrij gelaten zal worden op transparante substraten), om het verpakte product duidelijk te tonen.

Vergaren: Het samenstellen van de katernen voor een publicatie in de correcte bindvolgorde.

Verliesloze compressie: Een methode voor het comprimeren van databestanden waarbij alle oorspronkelijke informatie intact blijft. Zie ook Lossy, Non-lossy.

Vernis: Een transparante coating op drukwerk om de kleuren te benadrukken of de duurzaamheid te verbeteren.

Verzadiging: De mate waarin een of twee van de drie primaire RGB-kleuren overheersen in een kleur. Naarmate de hoeveelheden RGB aan elkaar gelijk worden, raakt de kleur onverzadigd en gaat deze in de richting van grijs of wit.

Vierkleurendruk: Drukprocédé dat een breed spectrum aan kleuren kan drukken door combinaties te maken van de vier basiskleuren cyaan, magenta, geel en zwart (CMYK).

Vignetten: Een beeld waarin de achtergrond geleidelijk vervaagt tot hij in het onbedrukte substraat overgaat.

Vlakbedscanner: Een scanner die gebruikmaakt van CCD-optica (charge-coupled device) en waarbij beelden vlak op een glasplaat gelegd worden in plaats van gemonteerd op een draaiende trommel. Zie ook Trommelscanner.

Vlakdruk: Een proces voor het drukken vanaf een vlak oppervlak, waarbij de drukkende en de niet-drukkende partij beide in eenzelfde vlak liggen, zoals bij lithografie.

W

Wit punt: 1) Een manier van meten van de witte waarde van een monitor (de kleur die ontstaat op het moment dat de rode, groene en blauwe waarden op volledige intensiteit staan). De waarde van het wit punt wordt gebruikt om een monitor te kalibreren. 2) Een verplaatsbaar referentiepunt dat de lichtste partij in een beeld aangeeft en waaraan alle overige partijen worden aangepast.

Witbalans: De relatieve sterkte van rood, groen en blauw in een lichtbron. De regeling van de witbalans op een camera compenseert lichtbronnen die afwijken van de normale RGB-verhoudingen in daglicht.

Z

Zonder verlies: Een compressieformule zonder verlies levert relatief lage compressieverhoudingen op (niet meer dan een 2:1 verkleining van de bestandsgrootte), zonder dat de beeldkwaliteit afneemt. Wordt een bestand dat zonder verlies is gecomprimeerd, geopend zodat het kan worden bekeken of bewerkt, dan worden alle originele pixelwaarden gereconstrueerd en wordt er geen informatieverlies geconstateerd. Zie Compressie, Compressieverhouding, Met verlies, Lossy, Non-lossy.

Zwartingsbereik: Het maximale toonwaardenbereik (van licht tot donker) dat een registratiemedium of -apparaat kan vastleggen.

Zwartpunt: Een verplaatsbaar referentiepunt dat de donkerste partij van een beeld aangeeft en waaraan alle overige partijen worden aangepast.